Geschiedenis
Wat later (1816) Nederlands-Indië is geworden, had eeuwen daarvoor al talloze invloeden van buiten de regio. In de tweede eeuw na Christus kwamen de eerste handelaren uit India, ook met hun eigen religies: het Hindoeïsme en Boeddhisme. Er ontstonden verschillende vorstendommen, met name op Java, Sumatra en Bali. Onder de vorst werkten bestuurders en daaronder het ‘gewone’ volk, de Adatgemeenschappen. De Adat was het geheel van ongeschreven gedragsregels en gebruiken die zo'n samenleving diende na te leven. De gemeenschap betaalde de vorst en de hofhouding in de vorm van landbouwproducten en ook diensten. Daarvoor kregen zij bescherming van de vorsten. Vanaf de dertiende eeuw de islam zijn intrede en bleek succesvol. Dit geloof predikte gelijkheid in tegenstelling tot het Hindoeïsme met het kastensysteem. Vorsten in de kuststaten gingen zich intensiever met handel bezighouden. Contacten met de buitenwereld werden intensiever en reikten zelfs tot in West-Europa.

VOC (1602-1796)
Er was vanuit Europa zeer grote belangstelling voor handelswaar in die Aziatische regio. Vooral de kruidnagel, peper en de nootmuskaat. De Portugezen bereikten in 1498 de archipel. De vorsten deden ook zaken maar waren niet gelukkig met de christelijke handelaren die het handels- en vervoersmonopolie voor zichzelf opeisten. Na een eeuw werden de Portugezen door de Nederlanders verdreven. In 1602 werd de Vereenigde Oost-Indische Compagnie opgericht. De VOC kreeg het octrooi op alle Indische handel. Vorsten mochten geen producten leveren aan Engelsen of Portugezen. Omgekeerd kwam de VOC vorsten te hulp bij onderlinge conflicten. In ruil voor hulp kreeg het VOC het alleenrecht (monopolies) op producten zoals peper, rijst, koffie en suikerriet. De inheemse structuur bleef bestaan. Boeren bleven producten afdragen en diensten verlenen aan hun vorsten. Er moest alleen meer worden afgedragen.
De VOC had vooral belangstelling voor de Molukken in het oostelijk deel van de Indonesische archipel. Berucht uit die tijd zijn de Hongi-tochten op de Molukken. Als er overproductie dreigde werden de kruidnagelaanplantingen door de VOC in brand gestoken. Was de handelsprijs hoog dan werden boeren gedwongen nog meer grond met kruidnagel te beplanten (dwangcultures). In 1798 werd de VOC opgeheven. Ondanks alle inspanningen zoveel mogelijk winst te behalen sloot de compagnie haar tijdperk van monopolies in de archipel af met een verlies van 130 miljoen gulden.

Religie

Het grootste deel van de bevolking in Nederlands-Indië was islamitisch (zo’n 90%). De daarop volgende, maar veel kleinere groep bestond uit christenen. Zij waren meestal protestants. Boeddhisten vond men vooral onder de Chinezen. Op Bali was het hindoeïsme een belangrijke religie, terwijl dit op andere eilanden niet (meer) zo was. Veel mensen waren ook aanhangers van animistische godsdiensten. Vaak werden deze religies verweven met de ‘grote’ wereldreligies. De Europese christelijke zending was vooral succesvol op de Molukken en in de Minahassa (Sulawesi).
Hoewel de religies hun eigen regels kenden, werden deze niet als belangrijkste voorschriften gezien of automatisch opgevolgd. In Nederlands-Indië bestond van oudsher het gewoonterecht (adat). Die kreeg de voorkeur boven de voorschriften in de Koran.

Cultuurstelsel

Ondanks het mislukte VOC-beleid was Nederland nog steeds overtuigd van de winstgevendheid van de archipel. De VOC-structuur bleef bestaan: vorsten en hoofden leverden nog steeds producten aan de Nederlanders. De Nederlandse Handels Maatschappij werd opgericht. Niet meteen met succes. Uiteindelijk greep men weer terug naar een oud VOC-systeem: gedwongen teelt. Dit zogenaamde Cultuurstelsel dwong boeren om een vijfde van hun landbouwgrond te bestemmen voor de teelt van handelsgewassen. Dit gold alleen op Java waar koffie, suiker en indigo werden verbouwd. Vorsten en hoofden droegen zorg voor de uitvoering van het Cultuurstelsel. De druk op de inheemse bevolking was groot. Misoogsten veroorzaakten hongersnoden. Na 1863 werd het Cultuurstelsel geleidelijk afgeschaft.

Het Koloniale Bestuur

De gouverneur-generaal bestuurde de archipel samen met directeuren voor verschillende departementen in Batavia. Zijn directe vertegenwoordiger in de verschillende gewesten was de resident. Onder hem stond het Europees Binnenlands Bestuur zoals assistent-residenten, controleurs en assistent-controleurs. Dan was er nog het ‘inlandse’ Binnenlands Bestuur met regenten aan het het hoofd en daaronder verschillende bestuurders. Het Europees Binnenlands Bestuur stond boven het ‘inlands’ Binnenlands Bestuur. Dat werd soms op opmerkelijke wijze duidelijk gemaakt. Zo wilden Nederlandse ambtenaren bijvoorbeeld alleen maar in het hoog-Javaans aangesproken worden. De inheemse ambtenaar werd in laag-Javaans aangesproken. Dat hoorde zo bij de standsverschillen in de oude Javaanse hiërarchie. Europeanen namen dit maar al te graag over.

Vaart der volkeren

In Europa kwam het liberalisme op. En dat wierp een ander licht op de economische betekenis van de kolonie. In 1870 werden de Agrarische Wetten ingevoerd die Nederlands kapitaal de mogelijkheid gaven te investeren in de kolonie. De inheemse bevolking mocht ook investeren, maar natuurlijk gebeurde dat in de praktijk niet. De inheemse bevolking werd niet meer gedwongen tot arbeid of tot levering van landbouwproducten maar zou haar arbeid moeten verkopen aan de meest aantrekkelijke werkgevers. Althans, dat was de liberale verwachting.
Tegelijkertijd zocht de opbloeiende industrie in Europa grondstoffen en afzetmarkten. Er werden militaire expedities uitgezet om meer gebieden te veroveren, zoals Atjeh, vorstendommen op Sumatra, de Molukken, Celebes, de kleine Soenda-eilanden en Bali. De Buitengewesten werden opgenomen in het handelsverkeer met grondstoffen voor de industrie, zoals rubber, tin, kopra en aardolie. Het internationale vervoer werd efficiënter na de opening in 1869 van het Suezkanaal.. De stoomvaart kwam tot ontwikkeling. Er werden spoorlijnen aangelegd en havens gebouwd. Kortom, de archipel ging mee in de vaart der volkeren.

Totoks, Indo's en inlanders

Europese mannen in de kolonie konden beter niet trouwen met blanke vrouwen vanwege de moeilijke omstandigheden in de tropen. Dus werden relaties aangegaan met inheemse vrouwen: een 'njai'. Soms werd er getrouwd. De nazaten uit deze huwelijken en relaties met 'njai's' vormden uiteindelijk een veel grotere groep dan de volbloed Europeanen, 'totoks' genoemd. De positie van deze Indo-Europeanen, Indo's, was lastig. Een positie als hoge ambtenaar zat er vaak niet in omdat de opleiding niet betaald kon worden. Men moest genoegen nemen met een baan als klerk. Na de Eerste Wereldoorlog nam het aantal Europeanen toe door de groei van de welvaart, de ontwikkeling van de infrastructuur en de bestrijding van ziektes. Voor Europese vrouwen werd de kolonie nu wel geschikt bevonden. Eenmaal daar dan kon men zich een Europees leven aanmeten. Ze woonden in eigen Europese wijken met allerlei Europese voorzieningen. Men leefde daar vrijwel afgezonderd van de inheemse bevolking. Een heel verschil met de periode dat Europese mannen nog samenleefden met inheemse vrouwen. Men kwam elkaar ook niet tegen op school of in de vrije tijd. Zwembaden en tennisbanen waren niet toegankelijk voor de inheemse bevolking. Veel bioscopen evenmin.

Vooruitgang en achteruitgang

Het liberalisme en de industrialisatie na de Eerste Wereldoorlog bracht nauwelijks vooruitgang voor de inheemse bevolking. De bevolkingsgroei op Java zorgde ervoor dat de lonen laag konden blijven. In de Buitengewesten was er weer een tekort aan arbeidskrachten. Deze moesten van buiten komen. Maar de arbeidsomstandigheden waren zo slecht dat velen zich weer uit de voeten maakten. Tot de Koelie-Ordonnantie werd afgekondigd in 1880. Bazen mochten weglopers zelf straffen en dat gebeurde niet zachtzinnig. De koloniale overheid had hier onvoldoende controle op.

Ethische Politiek

De armoede onder de bevolking kwam in de publiciteit. Daarmee was de kwestie van de ‘ereschuld’ geboren. In de Troonrede van 1901 werd de Ethische Politiek aangekondigd. Men zou meer investeren in de kolonie om de bevolking zich te laten te ontwikkelen. Op het gebied van werk, maar ook het onderwijs en de gezondheidszorg zouden meer toegankelijk moeten zijn voor de inheemse bevolking. Uiteindelijk bleek de verruiming van het onderwijs meer gevolgen te hebben dan het koloniaal bestuur voor ogen had. Omdat het bestuur werd uitgebreid had men meer geschoolde ambtenaren nodig op midden en lager niveau. Dus werd de inheemse bevolking opgeleid. Maar daarmee werd de ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen niet opgeheven. Zo werden inheemsen die het groot-ambtenaar examen hadden afgelegd toch niet toegelaten tot het Europese Binnenlands Bestuur. Het ambt van resident bleef onbereikbaar. Ook andere hogere ambtelijke posities bleven ontoegankelijk. En dit bleef niet zonder gevolgen. Het onderscheid tussen verschillende bevolkingsgroepen werd nogmaals benadrukt en creëerde een ontevreden, goed opgeleide inheemse elite die met de situatie geen genoegen nam.

Nationalistische beweging
De goed opgeleide inheemse bevolking kwam in opstand tegen de ongelijkheid in de koloniale samenleving. Er ontstonden verschillende bewegingen zoals Boedi Oetomo en Sarekat Islam. Ook zijn vakbonden van spoorwegpersoneel, inheemse onderwijzers en arbeiders in de suikerindustrie opgericht. Deze bewegingen wilden vooral de positie van de inheemse bevolking verbeteren. Over onafhankelijkheid werd (nog) niet gesproken. In de Indo-Europese hoek werd de Indische Partij opgericht door Ernst Douwes Dekker, een achterneef van schrijver Multatuli. Deze partij was voor onafhankelijkheid voor alle inwoners van de kolonie. De partij werd verboden en de belangrijkste leiders verbannen. In 1924 zag de PKI, de Partai Komunis Indonesia het levenslicht. De PKI bereidde een algehele staking voor. Maar deze opstand in 1926 op Java mislukte en de leiders werden gevangen genomen.

Hatta en Soekarno: het verzet tegen het koloniaal bestuur

De nationalistische beweging werd steeds meer een beweging tegen het kolonialisme en voor een puur Indonesische staat. Mohammad Hatta en Soetan Sjahrir richtten de Perhimpoenan Indonesia op. Zij spraken voor het eerst over de ‘vrijmaking van Indonesië’. Soekarno richtte de Partai Nasional Indonesia op in 1927. Tijdens het Indonesisch jeugdcongres in 1928 beloofden de deelnemers trouw aan één vaderland, Indonesië. En trouw aan één taal, Bahasa Indonesia. Aan het slot van het congres werd ‘Indonesia Raya’ gezongen en de rood-witte vlag gehesen. Maar ook de leiders van PNI werden uiteindelijk gevangen genomen en verbannen. Aan het einde van de jaren dertig werd nog een aantal politieke partijen opgericht zoals Partai Indonesia Raja en de Gerakan Rakjat Indonesia, Maar hun eisen voor bijvoorbeeld de vorming van een parlement, vonden geen gehoor bij het koloniale bestuur.
In 1942 viel Japan Nederlands-Indië binnen.

     Stichting Pelita                                                                                                                                home - colofon - literatuurlijst - sitemap - algemene voorwaarden