Europese wijk
Veel Nederlanders (totoks) en andere westerlingen woonden in de Europese wijken van de steden in Nederlands-Indië. Ze waren welgesteld. Woningen in deze wijken waren vaak door bekende Nederlandse architecten zoals Karsten en Citroen ontworpen. Rijke Indo-Europese families deden niet onder voor de totoks. Ook zij woonden in de Europese wijk. De Europese of Nederlandse cultuur was de norm. De woningen waren wel aangepast aan tropische omstandigheden. Ze moesten bescherming bieden tegen de warmte. De huizen hadden bijvoorbeeld een galerij. Het was een plek waar geleefd werd. Galerijen waren daarom overdekt en gemeubileerd. In feite was het een kamer waaraan één muur ontbrak. Dit bood de nodige schaduw en frisse lucht. De voorgalerij werd ingericht als zitkamer en de achtergalerij voornamelijk als eetkamer. In de bijgebouwen woonden de bedienden. In Nederland woonde er vaak één gezin in huis, maar in Nederlands-Indië waren het bijna complete families die in één woning woonde. Ooms, tantes, opa, oma of een nichtje dat in de stad kwam studeren woonden in bij het gezin.

Lange tijd geen blanke vrouwelijke bewoners in Nederlands-Indië

Vrouwen uit Nederland waren lange tijd absoluut niet welkom in de kolonie. Zij zouden de man van zijn werklust afhouden. De omstandigheden in Indië (ziektes, hitte, weinig luxe voorzieningen) werden niet geschikt geacht voor blanke vrouwen. In de jaren twintig van de vorige eeuw veranderde dit. De voorzieningen werden beter. Daardoor werd Indië aantrekkelijker om naar toe te gaan.

Een huwelijk op afstand

Als de bruidegom in Nederlands-Indië verbleef en de bruid (nog) in Nederland dan kon men 'met de handschoen trouwen'. Een uitdrukking die stamt uit de tijd dat men een bevoegdheid kon overdragen door aan de gevolmachtigde (de 'strobruidegom') zijn handschoen op te sturen. Het echtpaar trouwde, maar zag elkaar pas nadat de vrouw in Nederlands-Indië was aangekomen. Deze vrouwen werden 'handschoentjes' genoemd.

Tips voor de dames die naar Indië gaan

De dames konden zich in Nederland al voorbereiden op hun toekomst in Nederlands-Indië. Boeken als 'Waaraan moet ik denken? Wat moet ik doen? Wenken aan het Hollandsche meisje dat als huisvrouw naar Indie gaat' van Cato Rutten-Pekelharing, stonden vol met tips en goede adviezen: “'t Klimaat doet in den beginne zijn rechten sterk gelden; de dagverdeeling, met meestal de hoofdmaaltijd midden op de dag en rust daarna, is nog vreemd; het opstaan direct bij daglicht valt moelijk; het eten is vreemd, men vindt het brood zuur, de eieren klein, de groenten hard, de rijst droog, en de lekkernijen van de rijsttafel griezelig! Dan zijn er mieren, spinnen, muskieten, kleine hagedissen aan de muren (soms zelfs in uw bed), soms vleermuizen! Redenen genoeg voor zenuwachtige vrouwtjes om inzinkings-verschijnselen te vertoonen. Kalmte en rustig doorzetten zijn nu vereischt. En maar zoo gauw moogelijk naar de eigen standplaats en in het eigen bestaan met eigen werk”.


Winkelen in Nederlands-Indië

De meeste grote Indische steden hadden een Europese en Chinese winkelbuurt. In Soerabaja waren dat Goebeng en Pasar Baroe, in Batavia was de Rijswijkstraat een belangrijke winkelstraat en in Bandoeng de Bragaweg. In de Europese wijken waren grote 'magazijnen' waar alles te koop was wat in Nederland verkrijgbaar was. Zelfs de laatste mode uit Parijs en Londen.
Er waren zaken waar vrijwel alleen de gegoede totoks kleding konden kopen, omdat het te duur was voor een groot deel van de Indo-Europeanen. En ze vonden de modellen veel te saai en de maten te groot. Bekende kledingzaken van toen waren het warenhuis Gerzon, Toko Europa, modehuizen Van Duyn, Maison Kooning en Savelkoul voor chique herenkleding. Of men kocht bij de Chinese toko's, bij de Bombay toko's (Indiase winkels), op de lokale markten of bij koopmannen die aan huis kwamen. Als de kleding in winkels te duur was of wanneer je andere wensen had werd een kleermaker ingeschakeld. Of de djait, de naaister die aan huis werkte. De modellen werden zo overgenomen uit de Europese modebladen zoals 'Rijk der Vrouw', 'Vogue' en de ‘Mode Oriënt’. Naaimachinefabrikant Singer had in Nederlands-Indië verschillende winkels. Zelf maken was veel goedkoper. Een kundige naaister maakte een avondjurk voor 30 gulden. Bij Gerzon kostte een avondjapon minstens het dubbele.

Passen en aanpassen: de vereisten voor geschikte kleding

Kleding in Nederlands-Indië moest aan andere eisen voldoen dan kleding in Nederland. De tropische hitte was een factor waar rekening mee gehouden moest worden in de keuze van stoffen. Daarnaast moest kleding zeer vaak gereinigd worden en beschermd tegen allerlei schimmels en ongedierte.

Hoe kleedden de blanke vrouwen zich in de tropen?

Het was opvallend dat Nederlandse vrouwen in Nederlands-Indië zich in eerste instantie geruime tijd hebben gekleed naar de gewoonten van het land. Zij droegen ook een sarong en kebaja zoals de oorspronkelijke bevolking. Dat veranderde later toen de Europese invloed sterker werd in de kolonie. Met name in de steden. De welgestelden en bepaalde Indo-Europese vrouwen kleedden zich dus zo westers mogelijk. Men ging zich steeds meer houden aan de Europese waarden en normen en dus ook in de kleding. In de buitengewesten en de andere meer afgelegen gebieden was die druk minder groot. Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw werd de charlestonmode hip: een rechte hemdjurk tot op de knie. Veel comfortabeler dan de korsetten die tot dan toe gebruikelijk waren.

De dag begint met comfortabele kleding

Als ochtendkleding werd door welvarende dames vanaf de jaren 1910 en 1920 steeds vaker een kimono of peignoir gedragen. Deze verving de als minder modieus en passend beschouwde sarong en kebaja. De kimono of peignoir kon op een paar momenten op de dag gedragen worden, namelijk na het mandiën, in de eerste ochtenduren en 's middags bij de thee.
De kimono is een rechte, enkellange overslagjas met zeer wijde mouwen en werd eind negentiende eeuw in Europa geïntroduceerd en direct ook in Indië gedragen. In deze tijd was er grote belangstelling voor alles wat Chinees en Japans was.

Praktisch gezien was er minder mogelijk in kimono dan in sarong kebaja. In kimono kon je wel een kopje koffie drinken op de voorgalerij. De heer des huizes zou in dat geval gekleed gaan in pyjama. Het ontvangen van bezoek in deze dracht was niet gebruikelijk.

De housecoat

In de loop van de dertiger jaren werd de kimono of peignoir vervangen door de housecoat. Voorbeelden hiervoor kon de draagster of haar naaister vinden in modetijdschriften. De housecoat was een enkellang kledingstuk, zeer getailleerd, met een lange rits en werd in Indië vaak met korte mouwen gedragen. In de housecoat kon je ook stijlvol gekleed zijn als er bezoek kwam.

De invloed op de mode door het succes van beroemde filmsterren

In de jaren 1930 werd de roklengte juist weer langer en de taillelijn verschoof weer naar de normale plaats. Er kwam meer variatie in de modellen.

Ook kwamen in deze tijd pumps met hoge, stevige hak in de mode en waren er voor het eerst schoenen met open hiel en teen. De grootste inspiratie voor kleding kwam van de sterren uit de nieuwste films. Shorts raakten in de mode, voor mannen en vrouwen, in combinatie met poloshirts of blouses met korte mouwen.

Eind jaren 1930 waren korte tijd 'Hongaarse blousjes' met borduursels populair. Ook bloemetjesjurken werden veel gedragen.

Kleur van de kleding maakt verschil

Gedekt. Dat was de kleurcode. Voor een echte Europese uitstraling vertoonde je je niet in kleuren als knalrood, grasgroen en paars. Deze felle kleuren werden als te 'inlands' beschouwd. Meisjes en vrouwen die toch in felle kleuren gekleed gingen, omdat ze dat gewoon mooi vonden, werden meestal met de nek aangekeken.

De kledingstijl van mannen in Nederlands-Indië

In de herenkleding waren er minder ontwikkelingen te zien dan bij de dames. Het waren veelal Nederlandse mannen in witte pakken. Naast wit droegen de heren kakikleurige jasjes en kostuums. Kaki en groene pakken werden veel gebruikt als vakkleding voor planters. Het inheemse personeel droeg veelal de kaki-kleurige djas toetoep. Onder de hogere lagen van de bevolking bleef wit favoriet.

De djas toetoep

De djas toetoep, letterlijk gesloten jas, was meer dan een halve eeuw lang dé dracht voor mannen in Indië: voor planters, ambtenaren, particuliere ondernemers, middelbare scholieren, maar in aangepaste versie ook voor militairen. De djas toetoep was erg comfortabel, omdat het zonder overhemd of stropdas gedragen kon worden. Het pak werd bij de kleermaker op maat besteld. Vaak per dozijn. Men had er veel nodig omdat men twee tot drie keer per dag een schoon pak aantrok. Bij het pak werd vaak een hoed gedragen, zoals een tropenhelm of helmhoed. In de jaren dertig bleven de kleur wit overheersen. Wel kwam er meer variatie. De djas toetoep werd vaker afgewisseld door het getailleerde witte colbertjasje ('open djas') met daaronder een overhemd van dun katoen. In informele situaties liet men het jasje uit.

Het personeel: de baboes

De meeste welgestelde gezinnen hadden autochtone bedienden zoals een kokkie (een kokkin), een djongos (huisjongen), baboe (hulp), baboe tjoetji (wasvrouw), de kebon (tuinjongen) en een sopir (chauffeur). De djongos deed vooral taken binnen het huis zoals afstoffen, dweilen en zilver poetsen. De baboe dalam was verantwoordelijk voor het schoon houden van de slaapkamers.

Vaak woonden deze bedienden in de bijgebouwen. Of ze gingen 's ochtends vroeg naar het woonhuis en gingen bij zonsondergang terug naar de kampong. Ook was er in de bijgebouwen altijd een kamer gereserveerd waar zij zich overdag terug konden trekken en was er een aparte hurk-wc.

De kleedstijl van de bedienden

Het personeel kleedde zich in de gangbare lokale kleding. Die was gevarieerd en verschilt per eiland. De omslagdoek om het middel (de kain) was echter kenmerkend. Zowel voor mannen als voor vrouwen. Het doek droeg men op verschillende wijze. De aanwezigheid van bedienden maakt deel uit van de herinneringen die Indische mensen hebben aan hun jeugd in Nederlands-Indië: 'De geur van vrouwelijke bedienden met hun sirihpruimtabak en minjak klappa in hun haar en de rokok krètèk van de mannelijke bedienden'.

De apenbroek voor de kinderen en het matrozenpak

Een typisch Indisch kledingstuk voor kinderen is de tjelana monjet of 'apenbroek'. Iedere moeder gebruikte hier haar eigen patroon voor. Daarom verschilden de modelletjes. Van een rechte lap met uitgeknipte broeksgaten, met bijvoorbeeld een zak voorop, tot een model met broekspijpen, ruches en kantjes. Omdat kinderen vaak in hun tjelana monjet speelden en de kleding snel vies werd, hadden zij er veel. De kinderen droegen de tjelana monjet totdat ze een jaar of tien waren. Bij meisjes werd er dan soms een rokje aangenaaid. Jongens gingen over op witte broek en overhemd. Voor de oorlog droegen jongens vaak een matrozenpak. Ook meisjes droegen in de jaren dertig soms een matrozenkraag, die aan een blouse of jurk geknoopt kon worden.

De woningen in de Europese wijk: galerijen van voor naar achter

Typisch aan Europese woningen waren de galerijen. De overdekte galerij was een soort veranda, een kamer, waaraan één muur ontbrak. Ze werden ingericht als zitkamer. Of als eetkamer. De meubels werden ontworpen naar Europees voorbeeld maar ook de Chinezen hadden een belangrijke invloed op de stijl van koloniale meubels. Zo zijn de 'krossi males', de lange luie ligstoel, en de 'krossi gobang', een stoel met uitklapbare beenleuningen, Chinese uitvindingen. In de voorgalerij werd bezoek ontvangen. Maar het echte chique bezoek werd geleid naar de binnengalerij, de pronkkamer. De decoratie bestond uit de mooiste schilderijen, veel portretfoto's, kleden en beeldjes. De Madoerese bank was een geliefd meubelstuk: een bank met fraai houtsnijwerk aan de rugleuning. Een handig rond bankje was de 'ottomane'. Als er gasten kwamen konden zij hier aan alle kanten op zitten. De achtergalerij was bestemd voor minder formele ontvangsten, zoals familie en goede vrienden. Op de achtergalerij werd ook gegeten. De maaltijden kwamen uit de 'spenkast'. 'Spen' kwam van 'dispense', oftewel bereiden. In deze kast stonden kommetjes en bordjes met gerechten, klaar om gegeten te worden. Een ander object dat typisch was voor de achtergalerij was de leksteen. Door de leksteen werd gekookt water nogmaals gefilterd voordat het gedronken werd.

IJskast prominent

Wat in Nederlands-Indië anders was dan in Nederland was de plek van de ijskast. In Nederland stond deze in de keuken of een andere minder opvallende plek. In Indië werd de ijskast pontificaal in een hoek bij de eettafel geplaatst. Een gewoonte die door de Indische bevolkingsgroep mee naar Nederland werd genomen. Men noemde de ijskast 'frigidaire', vanwege de merknaam. De voorloper van de frigidaire was de 'ijskist'. Dit was een houten kist die gevuld werd met een groot blok ijs. Dat ijs kwam van de fabriek en werd thuisbezorgd.

Slaapkamer

De slaapkamer heette in Nederlands-Indië 'kamar tidoer'. Een gaasdeur hield insecten buiten. Op de vloer lagen, zoals overal in het huis, tegels. Geen kleedjes, want dat was niet hygiënisch. In de slaapkamers hingen bijna nooit gordijnen. Ramen werden afgesloten met zware luiken. Naast een groot bed, gemaakt van metalen buizen of van hout, stond er ook een grote linnenkast, en vaak een kaptafel. Men sliep op een 'bultzak': een dikke matras gevuld met kapok. Er lag een 'goeling' in bed, een rolvormig kussen dat ter verkoeling tussen de benen werd geklemd. De 'goeling' was comfortabel en goed gezelschap. Boven het bed hing een klamboe tegen de insecten. Een andere manier om insecten weg te houden, was verdelgingsmiddel. Het bekende merk 'flit' ontleende zijn naam aan het werkwoord dat het spuiten van de slaapkamer aanduidde: 'flitten'. Het pompje, de 'flitspuit', doodde de insecten die met de 'sapoe lidi', een soort bezem, van het bed werden geveegd. De 'sapoe lidi' werd gemaakt van de nerven van palmblad. Het vormde een vast attribuut in de slaapkamer.

Badkamer

In Indië ging men twee keer per dag baden vanwege de hitte. In de ochtend voordat men naar school of werk ging en bij thuiskomst. Baden noemde men 'mandiën'. De badkamer wordt 'kamar mandi' genoemd en het bassin met water de 'mandibak'. Het was niet bedoeling dat je in de bak zelf ging zitten om je te wassen. Met een pannetje, de 'gajong', plensde je koud water uit de mandibak over je heen. Na het inzepen nog een keer. In de mandibak zwom vaak een goudvis om de bak schoon te houden.


Toilet

De Indische wc werd ook wel 'kakoes' genoemd. Er waren vrijwel geen verschillen tussen een toilet in Indië en in Nederland. Op één attribuut na, de 'botol tjebok', een fles gevuld met water. Dit werd gebruikt om na het toiletbezoek het achterwerk af te spoelen. Soms was er in het toilet een apart kraantje aanwezig, waarmee de flessen gevuld konden worden. Bij sommige Indische en Molukse families in Nederland staat er in het toilet nog altijd een fles gevuld met water. Wonen in Indie, blz 163, NH

Keuken

In de keuken, de 'dapoer', bereidde kokkie haar gerechten en lekkernijen. Oorspronkelijk lag de keuken bij de bijgebouwen waar de bedienden woonden. Later werd de 'dapoer' ook wel eens bij het hoofdgebouw getrokken. Men had toen al gasfornuizen die soms gewoon naast de houtskoolcomfoortjes werden geïnstalleerd. De kokkie gebruikte onder andere een rijststomer en een wadjan en andere pannen om het eten te bereiden. Met een vijzel, de 'tjobek', werden kruiden fijngestampt tot een boemboe. Met een 'kipas' werd het vuur aangewakkerd.

Rijsttafel

Totoks hielden van 'rijsttafel', een Hollandse uitvinding. De rijsttafel bestaat uit witte en gele rijst met diverse bijgerechten. Om inspiratie te krijgen dachten de kokkies tijdens de bereiding aan wat zij zelf gewoonlijk aten bij feesten en slamatans in het dorp.

De kokkies kregen ook Hollandse recepten van hun mevrouwen, zoals die voor het smoren (semoer) van vlees (sudderlapjes). In Indië kende men, als men Indisch at, geen soep als voorgerecht. De soep (soto) werd tegelijkertijd met de rijst en bijgerechten geserveerd. Soto werd met rijst gegeten. Er kwamen ook wel eens Nederlandse gerechten op tafel, zoals aardappelen, vlees en groente uit blik. Veel van deze producten werden geïmporteerd uit Nederland. Dit waren luxe producten. Alleen de welvarende laag van de bevolking kon dit betalen. En wat onder totoks heel gewoon was: biefstuk en gebakken aardappelen als nagerecht.


De voorraadkamer

De voorraadkamer (goedang) lag in de bijgebouwen, grenzend aan de achtergalerij en achter een eventuele spenkamer. Het verschil tussen de spenkamer en de goedang was dat in de spenkamer het eten werd klaargezet om te serveren. De goedang werd gebruikt om het onbewerkte, houdbare voedsel op te slaan. Ook werd de goedang gebruikt voor de opslag van huishoudelijke artikelen, zoals brandstof en schoonmaakmiddelen. De vrouw des huizes beheerde de sleutel van de goedang.

Bijgebouwen en erf (belakang)

De bedienden woonden meestal in de bijgebouwen. Zij maakten geen gebruik van de badkamer of van de wc in het hoofdgebouw. De put, omgeven door een muur, was hun badplaats. Meestal gebeurde het baden door de bedienden heel vroeg in de ochtend of zeer laat in de avond. Kleding werd gewassen bij de put achter op het erf door de 'baboe tjoetjie'. Ze zat gehurkt of zittend op een dinklik (een laag houten krukje). De was werd over een wasbord gehaald, met de hand uitgewrongen en aan de waslijn gehangen. Nog dezelfde middag was het droog en werd het gestreken met een houtskoolstrijkijzer. Op het erf waren hokken voor kippen, eenden en andere dieren.

Tuin

Voor de kinderen waren de tuinen heerlijk om in te spelen. Er groeide fruit aan de bomen zoals mangga's, durians, blimbings, salaks en ramboetans.

Veel voorkomende planten waren de melati, een geurige jasmijnsoort, kembang-sepatu, ketepeng, soka, larat, mawar, bungur, puteri-malu, ketjubung (tabaksbloem), kembang-sungsang, bunga-matahari (zonnebloem) en kembodja.

Een mooi bloeiende boom is de flamboyant of bosvlam, van oorsprong uit Madagaskar. De flamboyant werd aangeplant als schaduwboom.
Voor veel mensen die in Nederlands Indië gewoond hebben zijn geuren erg belangrijk:

'Andere geuren die ik mij herinner zijn de geuren van de bloeiende Sanseveria onder het raam van onze slaapkamer in de avond; de geur van mijn moeders rozentuin; zij was een fervent rozenliefhebster; de typische geuren van de dapoer (keuken) en de geur van de rook als 's avonds de kebon de bijeen geveegde bladeren aanstak. We hadden ook een “tjemara”: een Indische den, waarvan de naaldjes een typische geur afgaven. Ook de oleanders hebben een zware zoete geur, die je gewaar wordt als je er langs loopt'. (Wonen in Indië, blz 149)

Dieren, ook in huis

Een bekend dier in Nederlands-Indië was de tjitjak. Een kleine hagedis, grijs-blauw van kleur die zich graag ophield tegen plafonds en muren. 's Nachts zitten tjitjaks graag bij het licht om muskieten te vangen. Kenmerkend is ook de tokkè, of gekko, die zijn eigen naam roept. De tokkè is groter en donkerder van kleur dan de tjitjak. Ook deze dieren waren in huis te vinden. Ze konden nog wel eens bijten. Sommige mensen hadden in hun tuin een volière met allerlei vogeltjes, die 's morgens al bij dag en dauw hun gekwetter begonnen. Aapjes, honden en katten werden ook gehouden als huisdier.


Radio

In Indië bestond sinds 1928 de Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij (NIROM). Vanaf de start zijn er vier zenders (Batavia, Bandoeng, Semarang en Soerabaja). De groei verliep snel. Vanaf 1936 kon men in heel Nederlands-Indië naar de NIROM luisteren. De NIROM zond programma's uit over sport, politiek, cultuur, kerkdiensten en ochtendgymnastiek. Behalve een eigen huisorkest kwamen regelmatig toneel- en cabaretgroepen uit Nederland over om uitzendingen te verzorgen. In die tijd werd er ook al omroepbijdrage betaald van enkele tientallen guldens. Eind 1940 waren 102.000 luisteraars geregistreerd. Op 8 maart 1942, tijdens de Japanse bezetting, besloot Bert Garthoff de laatste uitzending van de NIROM met de woorden: "Wij sluiten nu. Vaarwel, tot betere tijden. Leve de Koningin!"


Nederlands-Indië als literaire inspiratiebron

Een grote groep Nederlandse auteurs raakte geïnspireerd door Nederlands-Indië. Een van de meest bekende schrijvers is Multatuli (een pseudoniem voor Eduard Douwes Dekker) die in 1859 zijn roman 'Max Havelaar' (originele titel: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij) uitbracht: Een betoog tegen het misbruik van het Cultuurstelsel, tegen herendiensten en tegen plichtsverzuim door de Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië. Ook andere auteurs zoals Couperus met o.a. 'Stille Kracht', Charles Edgar Du Perron met o.a. 'Het land van herkomst' en P.A. Daum met 'Uit de suiker en tabak', verwerkten hun ervaringen in hun verhalen. Ook vrouwen schreven over het leven in Nederlands-Indië. Daarnaast schreven zij boeken met handige tips voor in de tropen en romantische boeken. Maar ze gaven ook kritiek op het koloniale gezag. Enkele schrijfsters waren: Thérèse Hoven ('Adinda'), Nicolina Maria Sloot met ('Melati van Java') en Madelon Székely-Lulofs ('Koelie').

Krant en tijdschrift

Kranten waren belangrijk voor de Europese en Indo-Europese gemeenschap. Ze werden uit Nederland toegestuurd maar Indie kende ook haar eigen kranten. Aanvankelijk werden ze gevuld met advertenties, plaatselijk nieuws, roddels en met (oud) nieuws uit Nederland. Niet iedereen kon de krant betalen. Maar dat werd opgelost door gezamenlijk een abonnement te nemen. Naarmate de krant meer lezers kreeg, nam de kwaliteit toe. De krant werd daarmee een belangrijk wapen in de emancipatiestrijd van verschillende bevolkingsgroepen. Er was in de kolonie geen echte persvrijheid. Haatzaaiende artikelen tegen de koloniale overheid of het moederland waren verboden. De overheid had zelfs in de jaren 1930 het recht een verschijningsverbod op te leggen. Kranten en tijdschriften voorzagen de lezer niet alleen van het 'harde nieuws'. Er was ook ruimte voor ontspanning door de publicatie van bijvoorbeeld feuilletons. En er waren speciale bijlagen voor de vrouw. Bekende tijdschriften in die tijd waren: 'De Zweep', ‘d’Oriënt’ en het ‘Damesweekblad voor Indië’.


De krant als wapen

De krant speelde een belangrijke rol in de opinievorming en het aan de kaak stellen van allerlei misstanden. Zo verscheen het woord 'ethische politiek' voor het eerst in de 'De Locomotief'. Pieter Brooshoofd, journalist en tevens hoofdredacteur, plaatste in zijn eigen krant het artikel 'De ethische koers in de koloniale politiek'.

Ook het 'Bataviaasch Nieuwsblad' was kritisch over het koloniale bestuur in die tijd. Journalist P. Daum kwam op voor de Indo-Europese gemeenschap en had nauwe banden met de nationalistische beweging. De 'Sumatra Post' schreef over misstanden en uitbuiting op de plantages in Deli. 'De Expres', opgericht door Ernest Douwes Dekker (neef van 'Multatuli'), berichtte over de emancipatie van Indo-Europeanen, gelijkheid tussen alle bevolkingsgroepen en zelfbestuur.

Multimedia - Europese wijk


Foto's &
Tekeningen (23)


Foto Toevoegen


Video&
fragmenten (7)


Video Toevoegen


Audio&
Fragmenten (0)


Audio Toevoegen


Verhalen &
Documenten (0)


Verhaal Toevoegen


Interviews&
Fragmenten (0)


interview Toevoegen
     Stichting Pelita                                                                                                                                home - colofon - literatuurlijst - sitemap - algemene voorwaarden