Handelsmaatschappij
Een van de meest voorname handelsmaatschappijen was Internatio, De Internationale Crediet- en Handelsvereeniging ‘Rotterdam’. Die werd in 1863 door een groep Rotterdamse handelaren gerealiseerd die een afzetmarkt zocht in de grootste handelssteden van Nederlands-Indië. Het ging met name om de verkoop van Nederlandse katoen.
In de jaren 1920 en 1930 richtte Internatio zich op de ondernemingslandbouw op Java en ook in enkele delen van de buitengewesten. Daarnaast werkte Internatio samen met onder andere de Rotterdamse Lloyd, de textielbedrijven Van Heek en koffie- en theegigant Van Nelle. Internatio speelde een belangrijke rol als importeur van Nederlandse industrieproducten en als industrieel ondernemer op Java.

De economische betekenis van Nederlands-Indië voor Nederland

Nederlands-Indië had voor de Tweede Wereldoorlog een belangrijke positie op de wereldmarkt als producent van tropische landbouwproducten. In 1930 was ongeveer 90% van wereldproductie van kinabast (grondstof voor kinine) afkomstig uit de kolonie. Dat gold ook voor andere producten: 79% van de kapokproductie, 75% van de peper, 18% van de thee, 70% van de nootmuskaat en 19% van de suiker kwam uit Nederlands-Indië. Grondstoffen zoals aardolie en tin waren ook belangrijk voor de koloniale economie. 3% van de wereldproductie van aardolie en 20% van de wereldproductie van tin was afkomstig uit de archipel.
Berekeningen over de werkelijke waarde van de kolonie voor Nederland lopen uiteen. Zo wordt becijferd dat in 1938 de kolonie 388 miljoen gulden opbracht. 75 miljoen gulden was afkomstig uit de uitvoer van producten. Verschillende economen stelden vast dat de opbrengsten uiteenlopen van 8 tot 14 % van het bruto nationale inkomen van Nederland.


Het economische belang van de Buitengewesten

Veel van de exportproducten kwamen uit wat men toen de Buitengewesten noemde. Onder Buitengewesten wordt verstaan: de vier grote eilanden Sumatra, Borneo, Celebes en Nieuw-Guinea. Daarnaast ook de eilandengroepen de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden. De oppervlakte van deze Buitengewesten was 48 keer zo groot als Nederland. De interesse voor de Buitengewesten groeide na de afschaffing van het Cultuurstelsel waarin boeren verplicht werden om 20% van hun grond te bestemmen voor de teelt van handelsgewassen. Zo was het in theorie. In de praktijk kwam het voor dat de helft van een areaal bestemd werd voor deze gedwongen teelt.


Economische groei mede door inzet van geweld

Vanaf 1870 zagen investeerders hun kans om geld te verdienen in de kolonie. In een veilige kolonie, wel te verstaan. Het koloniale gouvernement verstevigde haar positie in de verschillende gebieden op vreedzame wijze, maar als het nodig was ook met harde hand. Deze acties werden ‘pacificaties’ genoemd. Ook werden investeerders gouden bergen beloofd: de schatten lagen in Indië voor het oprapen! In 1905 telde de Buitengewesten 16.000 Europeanen, tegenover 7,5 miljoen inheemse inwoners. Niet iedereen slaagde erin het avontuur succesvol te laten verlopen. Ondernemingsplannen waren vaak niet goed uitgewerkt en menigeen had geen flauw idee van de fysieke omstandigheden waarin ze terecht zouden komen. Desalniettemin kende de koloniale economie een enorm opleving, vooral na de eerste wereldoorlog toen de vraag naar producten groot was. Die opleving werd weer teniet gedaan door de wereldcrisis in de dertiger jaren.

De rol van de inheemse bevolking in de economie

Rubberwinning

De inheemse bevolking leverde arbeid. Maar een deel profiteerde ook van de opleving van de vraag naar exportproducten. Een goed voorbeeld is de winning van rubber. Werd eerst de kunst van het rubbertappen afgekeken op de plantages waar men als ‘koelie’ werkte. Eenmaal thuis zette men eigen rubberbedrijfjes op. In de jaren 1920 maakte de inheemse rubberproductie ongeveer de helft uit van de totale rubberproductie in de kolonie. Echte welvaart brachten deze activiteiten niet. Door de opkomst van de auto werd de grondstof rubber wel een veelgevraagd product. Eenderde van de werelduitvoer van rubber kwam uit de archipel.
De inheemse bevolking kon ook haar eigen arbeid verkopen. In de Buitengewesten was arbeid schaars omdat het niet echt dichtbevolkt was. Men ronselde arbeiders, vooral Chinezen en mensen van het steeds dichter bevolkte Java. De arbeidsomstandigheden van deze ‘koelies’ was vaak slecht. Velen verlieten de ondernemingen dan ook. Om dit verloop tegen te gaan werd in 1880 de ‘Koelie-Ordonnantie’ afgekondigd. Ondernemers mochten weglopers zelf straffen. Controle op deze ‘Poenale Sancties’ was slecht zodat misbruik en uitbuiting van deze arbeiders ongestraft kon plaatsvinden. Bovendien waren de salarissen voor arbeiders afhankelijk van de wereldprijs van producten. Een daling van de opbrengsten had direct zijn weerslag in de beloning.

In de suikerindustrie

De rietsuikerindustrie had een grote economische betekenis voor Nederlands-Indië tot aan de economische crisis van 1928. In 1928 waren er zo'n 180 suikerondernemingen op Java. In 1934 nog maar 50. Een arbeider in de suikerindustrie verdiende in 1929 nog 46 cent per dag. In 1934 (na de wereldcrisis) was dit nog maar 27 cent per dag. Arbeiders die door de economische neergang overbodig waren geworden gingen terug naar de desa of zochten een bestaan in de steden.

Kleinhandel

De lokale bevolking verwierf vooral inkomsten door activiteiten gericht op voedselproductie en de lokale markten. Uit de volkstelling in 1930 bleek dat op alleen al Java en Madoera ruim 1 miljoen mensen hun hoofdinkomen vonden in de kleinhandel. Het ging dan om de opkoop van goederen bij de producent (bijvoorbeeld landbouwproducten) en verkoop op de pasars, in de waroengs of aan rondtrekkende verkopers. De economische vooruitgang na de eerste wereldoorlog ging echter aan de inheemse bevolking voorbij. Tussen 1921 en 1929 steeg het inkomen van Europeanen met 50%, dat van de Chinezen met 80%. Het gemiddelde inkomen van de inheemse bevolking bleef nagenoeg gelijk. In 1930 was het gemiddelde inkomen van de Indonesiër zo’n 60 gulden per jaar. Europeanen verdienden gemiddeld zo’n 2700 gulden.

Industriële ontwikkeling

Aanvankelijk ging alle aandacht naar de export van agrarische- en mijnbouwproducten. Vooral na 1914 leefde de industriële ontwikkeling op om de import van producten te vervangen door eigen productie van bijvoorbeeld zeep, bier en papier. Ook zag men een markt in de groei van de koloniale ondernemingen. Er ontstonden toeleverings- en verwerkingsindustrieën: metaal- en reparatiebedrijven, suikerverwerkende industrieën, sigarettenfabrieken, rubberverwerkende industrieën etc. In 1930 vond zo’n 10% van de Indonesische beroepsbevolking werk in de industrie. De noodzaak om te investeren in industrie werd nog groter door de crisisjaren. De export van landbouwproducten en grondstoffen leverde lang niet zoveel meer op en import was duur geworden.

Economische bedrijvigheid van Chinezen

Chinese handelaren hebben altijd belangstelling gehad voor de archipel. In de loop der tijd vestigden zich steeds meer Chinezen in Nederlands-Indië. Naarmate het aantal Europeanen groeide, stegen ook hun dagelijkse levensbehoeften. De Chinezen vonden een gat in de markt. De kleinhandel van geïmporteerde goederen was bijna compleet in handen van Chinezen. Ook speelden zij een belangrijke rol in de productie van rijst. Nagenoeg alle rijstpelmolens waren Chinees bezit. Aangezien een reusachtig deel van Java met rijst beplant was, was het aantal rijstpelmolens zeer aanzienlijk. Daarnaast bezaten de Chinezen banken, scheepvaart- en verzekeringsmaatschappijen. In de Europese banken en handelshuizen bestond het personeel voor een groot deel uit Chinezen.
Deze bevolkingsgroep mocht dan meestal economisch succesvol zijn, in maatschappelijk opzicht werden zij vaak achtergesteld en gediscrimineerd. Men vond bijvoorbeeld dat Chinezen niet konden autorijden. Er werden dan ook gedragsregels voor Chinezen opgesteld: “Het is Chinese rijtuigen niet toegestaan Nederlandse rijtuigen in te halen. Chinese rijtuigen dienen te stoppen zodra zij een Nederlander zien".

Bekende bedrijven in Nederlands-Indië

Bedrijven die zich in Nederlands-Indië vestigden waren Philips, Goodyear (bandenfabriek in Bogor), en in Djakarta Unilever met een zeepfabriek, Bata met een schoenenfabriek en in Soerabaja een aantal brouwerijen. Al deze producten waren bestemd voor de Europeanen. De Indonesische bevolking had te weinig koopkracht. Bruynzeel had in die tijd een eigen houthandel in Borneo. Het hout werd met Bruynzeelschepen naar Soerabaja vervoerd. De KPM-schepen zorgden voor het vervoer naar andere delen van Nederlands-Indië. De mailboot bracht het hout naar Europa. Ook Shell liet zich gelden in Nederlands-Indië. In 1907 fuseerde Shell met De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen, een Nederlands-Indisch bedrijf. Een van de ondermaatschappijen van Shell was de Bataafse Petroleum Maatschappij. Deze had een grote raffinaderij in Soerabaja.

Soerabaja als belangrijkste handelsstad

Het Cultuurstelsel (gedwongen beplanting van het landbouwareaal met belangrijke exportgewassen) deed de vraag naar opslagruimtes voor de producten groeien. Langs de Kalimas in Soerabaja verrezen grote pakhuizen. Daar werd suiker, koffie en copra opgeslagen. Pas vanaf 1912 werd de haven gebouwd die ook geschikt was voor grote schepen. Bovendien werd het spoorwegennet uitgebreid. Tussen 1905 en 1929 ontwikkelde Soerabaja zich tot een succesvolle handelsstad.

Multimedia - Handelsmaatschappij


Foto's &
Tekeningen (14)


Foto Toevoegen


Video&
fragmenten (10)


Video Toevoegen


Audio&
Fragmenten (0)


Audio Toevoegen


Verhalen &
Documenten (0)


Verhaal Toevoegen


Interviews&
Fragmenten (0)


interview Toevoegen
     Stichting Pelita                                                                                                                                home - colofon - literatuurlijst - sitemap - algemene voorwaarden