H.I.S.
De HIS, de Hollands-Inlandse School ontstond na de realisatie van de speciale scholen voor de Javaanse elite (Eerste-Klasse school) en de de Tweede-Klasse school voor andere inheemse kinderen. De HIS werd onderdeel van het Europese onderwijssysteem en was niet voor iedereen toegankelijk.

Persoonlijke herinnering uit het dagboek van mevrouw De Raadt, onderwijzeres HIS in Makassar

"Op een keer kregen we inspectie. In mijn klas knikte de inspecteur tevreden met hoofdrekenen. Hij gaf een steekproef met liggen en leggen, kennen en kunnen. Toen sloeg hij het stijlboek open. Hemeltje! Hij wees de krengenoefeningen aan. 'Ik zal het op het bord schrijven', stelde ik voor. 'We hebben niet genoeg taalboekjes'. Ik schreef de beginletter van elk moeilijk woord op, hopende dat ze het zich weer zouden herinneren. Toen ik wat later door de rijen liep, sloegen de vlammen me uit maar daarna werkte de onzin op mijn lachspieren."

Onder het Vinantien …rijden de auto's.
Een aquarium is een … eetgelegenheid.
In een megafoon verzamelt men… oudheden en schilderijen.
Een mummie is een … reisgezelschap in de woestijn.
Een museum is een ….toeter om het geluid te versterken.
De Minister van … Fiadut regelt de geldzaken
In een sanatorium zwemmen vissen
.

Het was gelukkig een begrijpende inspecteur en hij noteerde ijverig iets in zijn boekje toe ik hem vertelde wat wij al niet gedaan hadden. Ik hoopte dat die stijloefening een andere school bespaard is gebleven.



Lager onderwijs voor de oorspronkelijke bevolking van Nederlands-Indië

Er was voor de autochtonen nauwelijks een goede opleiding. Halverwege de 19e eeuw moest de koloniale overheid in Indië ‘scholen ter dienste der inlandsche bevolking’ oprichten. De resultaten waren mager. Slechts enkele opleidingen voor inheemse leraren en ambtenaren en de dokter-djawa-school om inheemse artsen op te leiden, werden opgericht. Na 1892 werd het onderwijs voor de oorspronkelijke bevolking iets uitgebreid. Alleen de gegoede autochtonen of kinderen van inheemse ambtenaren, die meer dan 75 gulden salaris per maand verdienden, kregen toegang. Lagere scholen bleven gescheiden. Naast de HIS bestonden sinds 1908 ook Hollands-Chinese Scholen (HCS). Op beide scholen werd het onderwijs verzorgd door zowel Nederlandse als inheemse onderwijzers.

Volksscholen

In de dessa’s (de dorpen) werden volkscholen opgericht vanaf 1907 door ‘inlandse rechtsgemeenschappen’ met subsidie van het gouvernement. Hier leerden kinderen lezen en schrijven in de landstaal en rekenen van inheemse leraren. Na deze school konden kinderen naar het vakonderwijs. Onder vakonderwijs valt nijverheidsonderwijs, opleiding voor onderwijskrachten, handel, land- en bosbouw en veeteelt, bestuurs- en administratieve functies, medisch personeel, zeevaart, vrouwelijke beroepen en de dienstscholen. Veel kinderen gingen niet naar een vervolgschool maar hielpen het gezin om geld te verdienen. In 1940 ging zo’n 40 procent van de autochtone kinderen naar deze scholen.

Wilde scholen

Nederland bleven echter westers onderwijs voor de oorspronkelijke bevolking zien als uitzondering. De bevolking drong echter aan op uitbreiding, omdat dit de enige mogelijkheid was op in sociaal en economisch opzicht vooruit te komen. Nederland kon niet aan deze vraag voldoen. Zo wilde men voorkomen dat te veel mensen beïnvloed zouden worden door nationalistische denkbeelden. Hierdoor ontstonden in de jaren 1920 de zogenaamde 'wilde scholen'. Scholen, die niet langer gesubsidieerd werden door de Nederlandse overheid. De kwaliteit was niet altijd even goed als op de HIS of de HCS, maar deze scholen hebben vele Nederlands sprekende leerlingen voortgebracht.

Lager onderwijs voor Europeanen en gelijkgestelden

Op 24 februari 1817 werd in Batavia de eerste Europese Lagere School (ELS) geopend. Uit Nederland werden onderwijzers aangenomen. Vervolgens werden ook in Cheribon, Semarang, Soerakarta, Soerabaja en Grissee lagere scholen opgericht. Deze scholen waren met name bestemd voor Europeanen en gelijkgestelden (bijv. kinderen van regenten of inheemse aristocratie). Het Europese lagere onderwijs in Nederlands-Indië sloot aan bij het middelbaar en hoger onderwijs in Nederland. Tot 1860 bleven kinderen voor een vervolgopleiding afhankelijk van Nederland. Maar naarmate er meer Nederlanders zich in Nederlands-Indië vestigden, werd de behoefte aan vervolgonderwijs groter.

Vervolgopleidingen: MULO en AMS

Er waren verschillende mogelijkheden voor een vervolgopleiding. Na de HIS konden inheemse kinderen naar de in 1914 opgerichte MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs). Dit was voor weinigen weggelegd door hoge kosten. Voor inheemse kinderen die het zich financieel konden verloven om uiteindelijk naar de universiteit te gaan, werd in 1919 de AMS (Algemeen Middelbare School) in Djokjakarta opgericht. Een kleine groep, met name de autochtone elite, kon in Bandoeng, Batavia, Semarang of Soerabaja naar de HBS (Hogere Burger School).

Het vakkenpakket

Het onderwijs op de MULO is een voorbereiding op hoger onderwijs en bestaat uit 3 leerjaren. Er waren twee niveau’s; diploma A en B. Alleen met diploma B kon je naar het hoger onderwijs. Het onderwijs van de AMS is gericht op Indische eisen. De AMS was gesplitst in drie afdelingen: een natuurkundige afdeling, een Westers klassieke afdeling en een Oosters-letterkundige afdeling. Dit zag men terug in het leerplan. Waar de Westers klassieke afdeling o.a. vakken kent als Latijn, antieke cultuur, Nederlands, Frans, Engels, Hoogduits kent de Oosters-letterkundige afdeling o.a. de vakken Javaans, Maleis, Indische cultuurgeschiedenis, Nederlands, Frans, Duits. Omstreeks 1930 volgden 85.000 autochtone kinderen westers onderwijs. Dit was slechts 0,14 procent van de totale bevolking.

Jeugd- en kinderboeken

Aardige leesboeken voor kinderen waren er omstreeks 1930 in Nederlands-Indië niet veel. De meeste kinderboeken waren geschiedenisboekjes, ze moesten vooral leerzaam en nuttig zijn. Kinderen lazen over de ontdekkingsreizigers, zeehelden en de grondleggers van de koloniën. De avonturen van helden, zoals Willem IJsbrandszoon Bontekoe, Cornelis Houtman, Jan Huygen van Linschoten en Jan Pieterszoon Coen werden uitvoerig beschreven. Er kwamen ook typisch Nederlandse onderwerpen in de boeken voor zoals sneeuw en schaatsen. Voor veel kinderen in Indië een onbekende wereld.

Ot en Sien

Veel kinderboeken werden ‘verindischt’. Er werden woorden gebruikt zoals baboe, djongos en senang. Ook Ot en Sien werd aangepast voor de Indische jeugd en was een groot succes. De verhalen gingen over het dagelijks leven van de rijkere Europeanen in Nederlands-Indië:

"De klong-tong
Rek-ke-tek, tek,, tek! Rek-ke-tek, tek, tek!
Zoo gaat het maar al-door.
Daar komt een klong-tong het erf op
ge-stapt. Ach-ter hem een koe-lie met twee
mand-den. De koe-lie zet de man-den bij de
trap neer! Hij schijnt erg moe te zijn.
,,Ba-rang ba-goes, njon-nja!” zegt de
Chi-nees.
Ot komt ook kij-ken. Dat doet hij al-tijd,
als er een klong-tong komt.
,,Wat heeft die man weer een rom-mel
bij zich,” zegt Ma-ma."

Joes en Roes

Een enkele keer werd een boek uitgebracht in het Maleis zoals het populaire boek De lotgevallen van Djahidin (uit 1873), over de avonturen van een Soedanese jongen. Sommige boeken werden aangepast voor de 'inlandse scholen'. Het boekje Joes en Roes was een 'inlandse' variatie op Ot en Sien. In de verhalen kwamen Javanen voor. Aan de tekeningen was ook te zien dat het verhaal zich in Nederlands-Indië afspeelde.

Multimedia - H.I.S.


Foto's &
Tekeningen (17)


Foto Toevoegen


Video&
fragmenten (4)


Video Toevoegen


Audio&
fragmenten (2)


Audio Toevoegen


Verhalen &
Documenten (0)


Verhaal Toevoegen


Interviews&
Fragmenten (0)


interview Toevoegen
     Stichting Pelita                                                                                                                                home - colofon - literatuurlijst - sitemap - algemene voorwaarden