Raad van Justitie
De rechtspraak in Nederlands-Indië was gebaseerd op de Nederlandse rechtspraak, aangepast aan de ‘Indische situatie’. Vanaf 1866 was er een wetboek voor strafrecht voor Europeanen. Hierin werd bijvoorbeeld de celstraf niet overgenomen, omdat het Indische klimaat te warm werd geacht voor langdurige opsluiting in een cel. De inheemse bevolking zelf hield lange tijd hun eigen rechtspraak. Geleidelijk aan kwam daar verandering in. Met name als de straffen niet in overeenstemming waren met de koloniale rechtspraak, zoals het afhakken van ledematen. Zo ontstond er ook een wetboek van ‘Strafrecht voor Inlanders’. Pas in 1918 kwam er één wetboek voor álle bevolkingsgroepen. Er was geen verschil meer in straffen. Althans op papier. In de praktijk bleken er toch verschillen in toepassing te bestaan. Zo was het voor Europeanen, maar ook voor de inheemse elite, niet gebruikelijk dat ze als straf te werk werden gesteld buiten de gevangenissen. Voor de anderen werd dit wel als passende straf beschouwd. Ook bleven er verschillen in de uitvoering van de rechtspraak zelf. Men stond toe dat bijvoorbeeld in een groot deel van de archipel eigen rechtspleging bleef bestaan. Deze inheemse rechtbanken spraken recht volgens de ‘adat’ (gewoonterecht).

Adat

Adat- of gewoonterecht is gebaseerd op het rechtsgevoel van de inheemse bevolking: ongeschreven rechtsregels. Niet zozeer gericht op wraak of straffen, maar meer op herstel van een verstoorde ‘harmonie’. Dat herstel kwam dan tot uiting in boetedoening, betalingen als schadevergoeding, zoenoffers en reinigingsrituelen maar ook uitstoting, lijfstraffen en zelfs de doodstraf. De adat was niet uniform, maar verschilde per regio en per bevolkingsgroep. De inheemse rechters hadden zich wel te houden aan de algemeen geldende beginselen van het recht, d.w.z. het Nederlands-Indische recht. De inheemse rechtspraak stond dus eigenlijk onder toezicht van het koloniale strafrecht. Europese ambtenaren mochten zittingen van inheemse rechtbanken bijwonen en hadden een adviserende stem in de uitspraken. Zeker als het ging om zware overtredingen.


Raad van Justitie

Er waren verschillen in de toepassing van het recht per bevolkingsgroep. Zo waren er verschillende gerechtshoven. Het Hooggerechtshof zetelde in Batavia. Dit was de hoogste rechtbank en hield vooral toezicht op rechters en rechtbanken in heel Nederlands-Indië. Dan waren er zes Raden van Justitie, in Batavia, Semarang en Soerabaja en in de Buitengewesten in Padang, Medan en Makassar. De Raad van Justitie was de dagelijkse rechter voor Europeanen die een zware overtreding hadden begaan. Maar indirect ook voor de inheemse bevolking. Zij konden vonnissen, uitgesproken door de inheemse Landraden, ter beoordeling voorleggen aan de Raad van Justitie. Rechtspraak over minder zware overtredingen of burgerzaken (boedelscheidingen, geschillen rondom huwelijkszaken) van Europeanen kwamen voor het Landgerecht en voor de inheemse bevolking geschiedde dit door regents- en districtgerechten (regent en districthoofd waren dan rechter).

Gevangenissen

Criminelen werden ondergebracht in één van de 350 gevangenissen die Nederlands-Indië vanaf 1920 telde. Niet alle gevangenissen waren hetzelfde. En men verdeelde de gevangenen zoveel mogelijk naar afkomst en zwaarte van de overtreding. Er waren instellingen voor de zwaarste en onhandelbare criminelen zoals de ‘Meester Cornelis’ in Batavia. In ‘Sawah Loento’ op Sumatra moesten inheemse gevangenen werken in de kolenmijnen. Er was een speciale jeugdgevangenis op West-Java en ook voor vrouwelijke criminelen werd een aparte instelling opgericht omdat de reguliere gevangenissen niet geschikt werden geacht voor vrouwen. ‘Boeloe’ in Semarang was voor vrouwelijke veroordeelden van ‘alle landaarden’. De meest ontwikkelde vrouwen (van Europese en inheemse afkomst) hadden aparte slaapzalen met ledikanten en klamboes. Het werd in die tijd als strafverzwaring beschouwd als deze vrouwen net als hun inheemse seksegenoten op een rieten matje moesten slapen. Vrouwelijke gedetineerden kregen de mogelijkheid een vak te leren tijdens hun detentie, zoals naaien, vlechten en batikken. Eenmaal uit de gevangenis schaamden ze zich er niet voor bij het solliciteren te vertellen dat ze hun vak in de gevangenis hadden geleerd. De opleiding stond goed aangeschreven.

Boven-Digoel

De categorie mensen die als een gevaar werden beschouwd voor de orde en rust in de kolonie werden naar het strafkamp Boven-Digoel gestuurd. Ingegeven door de (mislukte communistische) opstand op Java in 1926 tegen de Nederlandse overheersing, zocht men naar een weg deze mensen te detineren, terwijl er geen duidelijke bewijsvoering tegen hen was. De gouverneur-generaal maakte gebruik van zijn ‘exorbitante rechten’ om mensen die een gevaar vormden voor rust en orde te verbannen of te interneren. In 1927 werd in de oerwouden van Nieuw-Guinea bij de rivier Digoel een kamp opgezet. Daar moesten gevangenen in zelfgebouwde huizen wonen en zelf in hun levensonderhoud voorzien. Prikkeldraad of zware bewaking was niet nodig. Het woud was ondoordringbaar, vol met wilde dieren en er waren vijandige Papoea-stammen. Het regime leek humaan. Maar men leed aan tropische ziekten zoals malaria en beri-beri. Psychisch was het zwaar door de uitzichtloosheid. Men wist vaak niet wanneer de verbanning ten einde was. Het gouvernement paste overigens wel op dat ze niet de belangrijkste leiders van politieke bewegingen naar Digoel stuurden. Soekarno is er niet geweest. De nationalistische leiders Hatta en Sjahrir wel. Maar zij werden na een jaar overgeplaatst.

Criminaliteit

De meeste inheemse veroordeelden zaten voor diefstal en roof. Dit kan toegeschreven worden aan hun slechte economische situatie. Eén van de zwaarste misdaden onder de inheemse bevolking was ‘rampok’, roof met geweld. Onder Europeanen kwam diefstal vrijwel niet voor. Maar wel verduistering en oplichting. Vooral arme Indo-Europeanen maakten zich schuldig aan diefstal, waarschijnlijk ook ingegeven door hun slechte financiële situatie. Zedendelicten kwamen in alle groeperingen bijna nooit tot een veroordeling omdat deze weinig zichtbaar waren en werden verzwegen. In 1938 echter werden homoseksuelen in de kolonie opgeschrikt door een grootscheepse razzia. Veel homoseksuelen waren het bekrompen Nederland ontvlucht om zich te vestigen in het –dachten zij toen- lossere en vrijere Indie. Maar hoe meer men waarde hechtte aan de Nederlandse waarden en normen des te minder tolerant men werd tegenover andersoortige relaties. Ook werd gefluisterd dat de aanstaande schoonzoon van gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer biseksueel zou zijn en dat dat de werkelijke reden was voor de heksenjacht.

Tussendoortjes

Kokkie maakte naast warme maaltijden ook lekkernijen die 's middags na het middagdutje werden gegeten bij de thee. Bijvoorbeeld kwee, Indische koekjes, of spekkoek. Kwee werd gemaakt van rijst of cassave-meel en vervolgens gesuikerd en rood of geel gekleurd, of wit gelaten. In veel gezinnen aten kinderen 's ochtends pap. Naar school kregen ze vaak boterhammen mee, in ieder geval als ze op een Europese school zaten. De kokkie bereidde gerechten met ingrediënten die ze aangeschafte op de markt, zoals pompoenen, ananas, bananen, manga's, noten, bieten, cassave, aubergine, spinazie, meloen, peen, tomaten, sla, uien, selderij, rode en witte radijs, rode peper, ramboetan. Daarnaast gebruikte kokkie nog allerlei specerijen, zoals tamarinde (een zurige pasta), djinten (komijnzaad), sereh (citroengras), daon salam (lijkt op laurierblad), djahé (gember), laos, bunga lawang (steranijs) en bawang putih (knoflook).

Multimedia - Raad van Justitie


Foto's &
Tekeningen (10)


Foto Toevoegen


Video&
Fragmenten (0)


Video Toevoegen


Audio&
Fragmenten (0)


Audio Toevoegen


Verhalen &
Documenten (0)


Verhaal Toevoegen


Interviews&
Fragmenten (0)


interview Toevoegen
     Stichting Pelita                                                                                                                                home - colofon - literatuurlijst - sitemap - algemene voorwaarden